Posts tonen met het label literatuur. Alle posts tonen
Posts tonen met het label literatuur. Alle posts tonen

woensdag 22 augustus 2012

Marie Koenen : 'De Moeder' (1917)

Hoewel Marie Koenen (1879-1959), dochter van de woordenboekengigant, afkomstig is van Nederlands Limburg, lijkt haar derde roman 'De Moeder' helemaal uit de spreekwoordelijke Vlaamse klei opgetrokken, in zoverre zelfs dat die qua toon sterk aan de heimatvertellingen van Ernest Claes herinnert. Het verhaal vangt aan met een uitgebreide romantische beschrijving van het dorpse leven vanuit het oogpunt van het titelpersonage. Hoewel de auteur, zoals voor haar kenmerkend is, de gevolgen van de industriële revolutie in het landschap straal negeert, is de gemeenschap toch niet volledig onbezoedeld. Als een babylonische schandvlek, vormt het hotel met aanpalende winkel van de steedse familie Curvers haar immers een fikse doorn in het oog.

Desondanks spreekt uit 'De Moeder' een geestelijk veel minder starre gesteldheid dan je op het eerste zicht zou verwachten, en weet het boek zelfs symbolisch een verzoening tot stand te brengen tussen de op zich vijandige literaire strekkingen van het naturalisme en de neoromantiek. De archetypische moeder is een godsvruchtige, hardwerkende, tegen de bittere armoede strijdende weduwe, die ternauwernood de eindjes aan elkaar weet te knopen. Ze idealiseert het eenvoudige ongerepte dorpsleven en spiegelt zich daarin een idyllische toekomst voor haar kinderen voor. Deze probeert ze af te dwingen via het gebed. Terwijl haar dochter Tila eigenwijs huwt met Louis uit de vervloekte familie Curvers, stelt ze al haar hoop op een huwelijk tussen haar zoon Jules met het dorpsmeisje Treeske Bormans. In stilte lijdend schikt deze zich hier aanvankelijk in, en gaat hij aan de slag als plaatselijke onderwijzer. Stilaan groeit echter het besef dat hij erfelijk gedetermineerd is om hieraan volledig ten onder te gaan. Alle protagonisten blijken echter bereid water bij de wijn te doen, en uiteindelijk wordt een nieuwe harmonie gezocht en bereikt.

Uit 'De Moeder' spreekt een universeel diepmenselijke emotie die iedere moeder voor haar kroost voelt. Marie Koenen leverde een ontroerende roman af die zich afspeelt in een voorbije wereld waar de problemen weliswaar van een andere orde maar daarom niet minder groot waren.

donderdag 24 november 2011

A. den Doolaard : 'De Druivenplukkers' (1931)


“Daar gingen zij, de bezitlozen, die groot waren zonder het te weten; die glimlachten om de vervaarlijkste avonturen; die te voet Frankrijk doortogen terwille van een hap brood.” (p. 183)

'De druivenplukkers' werpt ons middenin de leefwereld van de seizoensarbeiders die elke zomer vanuit heel Europa afzakken naar Frankrijk om mee te helpen bij de oogst, onder meer van druiven. We volgen voornamelijk de lotgevallen van Vladja, een Slovaakse jongeman die een startkapitaal tracht te vergaren om eens terug in zijn vaderland een kleinschalige boerderij te beginnen, en zijn mentor André met het woeste oog, de archetypische vitalistische protagonist. In tegenstelling tot de bedachtzame, vooruitziende Vladja, wordt deze doorwinterde zwerver, wiens driften zijn leven volledig domineren, instinctief vooruit gestuwd door de roep van de vrijheid en de natuur. Toch kunnen de twee het wonderwel met elkaar vinden. In een meeslepend, fragmentarisch gebracht relaas worden de dagdagelijkse beslommeringen van de arbeiders verweven met een tragische gebeurtenis uit André's verleden waarvan de gevolgen nog steeds doorwerken. Thematisch eist de vraag naar schuld en verantwoordelijkheid een steeds grotere rol op in de roman. Het verhaal snelt zich naar een noodlottig einde als André in een vlaag van zorgvuldig gecultiveerde razernij zijn vrouw en haar minnaar ombrengt.

Op zijn minst opmerkelijk in de carrière van den Doolaard is de manier waarop realiteit en literatuur door elkaar lopen, en elkaar vinden in een eigenaardige symbiose van oorzaak en gevolg. Het begint allemaal met een sterke fascinatie voor het literaire vitalisme van o.a. Hendrik Marsman en J.J. Slauerhoff. Hierdoor beïnvloed neemt de auteur, geboren Bob Spoelstra jr. (1901-1994), in 1926 het pseudoniem A. Den Doolaard aan waaronder hij enkele gedichten van dezelfde strekking publiceert. Dit gaat hem echter niet ver genoeg. Op dat moment komt hij aan de kost als boekhouder, maar hij wil meer, hij wil het vitalisme echt gaan leven, en wanneer hij twee jaar later helemaal overdonderd wordt door 'De Distels van Baragan' van de Roemeense schrijver Panaït Istrati, neemt hij halsoverkop ontslag om aan de roep van het ware leven gehoor te geven. Het is de start van een zwervend bestaan dat hem eerst en vooral naar Frankrijk brengt waar hij een quasi eindeloze reeks kortstondige klussen uitvoert om in zijn levensonderhoud te voorzien. Vele van zijn trektochten leiden hem later naar de Balkan, wat hem in onze contreien de status van kenner over deze gebieden oplevert. Zijn wederwaardigheden worden op hun beurt verwerkt in romans, zoals bijvoorbeeld in 'De Druivenplukkers'. Langs de andere kant blijkt zijn werk ook een vooruitspiegeling van latere gebeurtenissen te bevatten. Dit jaar onthulde biograaf Hans Olink immers in 'Dronken van het leven' dat den Doolaard in 1933, twee jaar nadat hij André met het woeste oog liet opdraven, de minnaar van zijn toenmalige vrouw vermoordde in Macedoniê.

dinsdag 26 juli 2011

Karl May : 'Woudroosje of vervolgingen over de aarde' (1882-1884)


“Hij is van licht en lucht afgesloten, hij is geen mens meer, geen vrij wezen dat zijn eigen lot bestemt, hij heeft geen naam meer, hij wordt geroepen met het nummer van de cel waarin hij zich bevindt.” ('Slot Rodriganda.', p. 320)

Aansluitend bij de blogpost over Emile Zola werpt Karl May's 'Woudroosje' een nader licht op de Franse bezetting van Mexico (1861-1867). De kiem van de Franse invasie, die aanvankelijk actief gesteund wordt door Spanje en het Verenigd Koninkrijk, ligt in de Mexicaanse Hervormingsoorlog. Deze strijd tussen de conservatieve machthebbers en hun liberale tegenstanders mondt in 1860 uit in een overwinning van de liberale Zapoteekse indiaan Juarez. In 1859 leende de toenmalige conservatieve president Miramon 7 miljoen van Frankrijk. In ruil voorzag hij de Fransen echter van schuldbewijzen ter waarde van ruim 75 miljoen. Als Juarez in 1861 officieel (hij was toen reeds 3 jaar president van de tegenregering) aan de macht komt, weigert hij de schulden van de extra 68 miljoen af te betalen. Voor Napoleon III is dit voldoende aanleiding om Mexico binnen te vallen. Al snel blijkt dat hij verdere plannen heeft, namelijk een Franse annexatie van Mexico via Maximiliaan van Oostenrijk die door de Fransen tot keizer van Mexico wordt gekroond. Het zelf nauwelijks beseffend is Maximiliaan niet meer of niet minder dan een marionet van Napoleon die strategisch gebruikt wordt om de hele inval niet als een Franse verovering te laten overkomen aan de internationale gemeenschap. Napoleon hoopt dat de keizer er snel de brui aan geeft, zodat de weg open komt te liggen voor de kroning van de Franse maarschalk Bazaine. Wanneer de Britten en de Spanjaarden deze verborgen agenda in de gaten krijgen, trekken ze zich volledig terug. Vanuit Europa leveren ze daarentegen zelfs wapens en financiële steun aan Juarez. Na het beslechten van hun Burgeroorlog kiezen ook de Verenigde Staten de kant van de republikeinen, en de uitkomst van deze oorlog lijkt onvermijdelijk in het voordeel van Juarez uit de draaien. Vanaf het moment dat Napoleon dit beseft, maken de Fransen zich uit de voeten, en laten ze keizer Maximiliaan aan zijn lot over. Op 19 juni 1867 wordt deze samen met Miramon en zijn rechterhand generaal Mejia geëxecuteerd, en Mexico wordt weer een republiek.

Niet alleen wekt Karl May historische figuren als Maximiliaan van Oostenrijk, Benito Juarez en Otto von Bismarck weer tot leven, maar hij laat ze ook actief deelnemen aan zijn verhaal. 'Woudroosje' brengt daarnaast de mechanismen en motieven van het politieke geïntrigeer achter de schermen naar de voorgrond. Daarbij kiest de Duitse volksschrijver duidelijk kant. Hij steekt zijn sympathie voor Juarez niet onder stoelen of banken, zonder daarbij Maximiliaan te veroordelen. Deze meent het volgens hem goed met de Mexicanen en bij uitbreiding de gehele mensheid, maar heeft een wat zwak en zweverig karakter dat volledig gemanipuleerd wordt door de ware boosdoener Napoleon. Om Juarez Maximiliaan te laten executeren zonder daarbij het wereldbeeld van de Zapoteek in diskrediet te brengen, verzint May er zelfs een derde partij bij die strijdt om de macht. Hun tactiek bestaat erin Juarez in een dusdanig parket te manoeuvreren dat hij niet anders kan dan het hoofd van het keizerrijk terecht te stellen, in de hoop dat de ganse wereld zich van Juarez afkeert en zijn positie niet langer houdbaar is. Hierin vindt May voldoende rechtvaardiging voor wat in zijn ogen onder andere omstandigheden gelijk staat aan een moord.

De roman speelt zich niet alleen af in Mexico, maar voert ons tussen 1847 en 1867 ook naar onder andere Spanje, Frankrijk, Duitsland, Jamaica, Ethiopië en de Stille Zuidzee. De eigenlijke hoofdfiguur van 'Woudroosje' is de Duitse dokter Karl Sternau, een soort geïdealiseerd alter ego van de auteur, die als type doorheen zijn volledige werk zal opduiken, en waaraan de volledige thematiek van het boek wordt opgehangen. Sternau is een fysiek indrukwekkende verschijning met een geweldige lichamelijke en mentale kracht. Hij barst van de levenslust en omhelst de wereld met beide armen. Uit Karl May's werk spreekt een onvoorwaardelijke liefde voor de mensheid op zich, abstractie makend van individuele gevallen, en bij uitbreiding voor het volledige planten- en dierenrijk. Ook voor de wonderbaarlijke pracht van de natuur voorziet hij een prominente plaats in zijn oeuvre. Hij wil de schoonheid van het leven delen met zijn lezers, en aanziet het fnuiken van de levenslust als zowat de grootste misdaad die er bestaat. Het Woudroosje uit de titel verwijst naar Sternau's dochter, die nauwelijks een rol van betekenis speelt in het verhaal. Zij staat eerder symbool voor het goede in het leven, dat altijd zal overwinnen. De hele roman kan opgevat worden als een grootse ode aan het leven en de liefde. Na jaren van ontbering wordt Sternau pas helemaal aan het eind van het boek herenigd met zijn familie. Nooit heeft hij echter de hoop opgegeven, gesterkt door een onwankelbaar vertrouwen in de goddelijke voorzienigheid gecombineerd met zijn eigen kunnen. Hiervoor rekent hij niet enkel op zijn kracht, maar getuigt hij daarnaast van een rotsvast geloof in de logische rede en in aangeleerde kennis, op welke manier die ook werd verkregen. Als gediplomeerd arts bewandelde Sternau sowieso de weg van de academische opleiding, maar ook zelfstudie en lering door observatie draagt hij hoog in het vaandel. May kijkt zeker niet neer op boekenwijsheid, eerder integendeel; in andere werken wordt deze vorm van kennisvergaring zelfs letterlijk gepropageerd. Het hoeft geen betoog dat de schrijver zelf op deze manier veel van de voor zijn verhalen benodigde informatie tot zich nam. Een andere pijler waar Sternau op rekent is zijn instinct. Hiervoor verwijzen we naar Karl May's fascinatie en bewondering voor de zogenaamde noble sauvage. Deze leeft veel dichter bij de natuur dan de geciviliseerde mens, en is nog niet gecorrumpeerd door geldgewin en het bijhorende bedrog. Als gevolg van zijn manier van leven beschikt hij over verscherpte zintuigen, en staat hij veel nauwer in contact met zijn oerinstinct. Toch ontwikkelde ook dokter Sternau deze verloren vaardigheden. Hij zwierf immers jarenlang door de wildernis van de Noord-Amerikaanse prairies.

Met een grenzeloze zelfopoffering voert Karl Sternau een ononderbroken strijd tegen onrecht. Telkens hij geconfronteerd wordt met een situatie die indruist tegen zijn sterk ontwikkeld rechtvaardigheidsgevoel, komt hij tussenbeide, en kiest hij heftig kant voor de benadeelde partij, waarbij het de ene keer gaat om een hele bevolkingsgroep, en de andere keer slecht om één enkele kleine man. Daarbij gedraagt hij zich als een soort non-conformist die zich niet aansluit bij de heersende mening, en al zeker niet onvoorwaardelijk elke vorm van gezag en regelgeving gehoorzaamt. Het gezag geldt voor hem slechts in zoverre het rechtvaardig is. Een belangrijke factor daarin is het concept vrijheid. Karl May droomde van een rechtvaardige wereld waarin alle individuen en alle volkeren in vrijheid en vrede naast elkaar kunnen leven. Voor hem is dit mogelijk als iedereen zou leven naar de leer van de Schepper. Een vrij mens erkent geen menselijk gezag over een andere mens, en is slechts gehoorzaamheid en verantwoording verschuldigd aan God. In diens ogen zijn alle mensen in wezen gelijk, los van hun afkomst, titel of voorkomen. “De waarde van een mens wordt bepaald door zijn inborst.” ('Kanselier en Prairiejager', p.180). Deze waarde komt tot uiting in zijn woorden en daden, niet in zijn maatschappelijke positie en uiterlijke verschijning. Een in lompen gehulde smokkelaar getuigt soms van een beter karakter dan een piekfijn uitgedoste edelman. Karl May is een vurig tegenstander van standen- en rassendiscriminatie, maar zijn stokpaardje bij uitstek blijft de beoordeling van een persoon op basis van zijn uiterlijk. Haast als rode draad door zijn oeuvre speelt hij een spel met de lezer, door de hoofdfiguur zich vaak overdreven bescheiden te laten opstellen, wat keer op keer leidt tot een schromelijke onderschatting door de mede-protagonisten op basis van vooroordelen. De lezer kijkt telkens weer reikhalzend uit naar het moment waarop de held zijn ware aard onthult, iedereen met verstomming slaat, en confronteert met zijn eigen vooringenomenheid. Synthetiserend kan je stellen dat dokter Sternau een wandelende incarnatie is van een levenshouding die volgens de auteur kan leiden tot een ideale wereld moest de gehele mensheid zich hieraan spiegelen. Hij leeft zijn eigen interpretatie van het christendom, waarin ruimte is voor vergeving en berouw, maar ook voor bestraffing en wraak.

Karl May was een veelschrijver, en het is moeilijk een goed overzicht te krijgen van zijn volledige productie. Vooreerst is niet alles in het Nederlands vertaald, en voor zover dit wel het geval is, konden uitgevers blijkbaar moeilijk de neiging onderdrukken om de authentieke tekst grondig in te korten. Daarbij komt nog dat ook de Duitse Karl May Verlag dikwijls stukken herwerkte voor publicatie. Bij 'Woudroosje' zou dit echter niet het geval zijn. In de Prisma-reeks, die er prat op gaat een volledige onverkorte vertaling af te leveren, is 'Woudroosje' uitgegeven in vijf delen : 'Slot Rodriganda', 'De Piramide der Azteken', 'Juarez van Mexico', 'Kanselier en Parairiejager' en 'De Stervende Keizer.' Oorspronkelijk verscheen dit lijvig werk in feuilleton-vorm onder het pseudoniem Capitain Ramon Diaz de la Escosura. Het is de eerste van May's vijf zogenaamde kolportageromans, die later tegen zijn wil in boekvorm werden gebundeld. De uitgever Münchmeyer verspreidde zijn edities via een soort postdrager. Hieraan werd de term 'kolportage' ontleend, die in deze context min of meer de betekenis van pulp heeft gekregen. Los daarvan biedt deze verschijningsvorm een achterliggende verklaring voor de stijl van deze werken. Ze zijn er immers op gericht een breed publiek te bereiken en te blijven boeien. Het opzet kan wat worden vergeleken met het werk van Charles Dickens wiens boeken als serie in de krant verschenen. De fantastische gebeurtenissen volgen elkaar aan een hels tempo op, en worden doorvlochten met voor die tijd blijkbaar al wat gewaagdere liefdesaffaires. De schrijver brengt het geheel met de nodige dosis humor en lichtvoetigheid. Het grote verhaal wordt echter nooit uit het oog verloren, het boek vormt een meticuleuse constructie waarvan de verhaallijnen nauwkeurig in elkaar overlopen tot een eindpunt, en belangrijker dan de opeenvolging van avonturen is eigenlijk de onderliggende thematiek en boodschap die de auteur wil uitdragen.

Karl May (1842-1912) groeide op in een tegen de bittere armoede strijdend gezin, vandaar zijn sympathie voor de kleine man. Hij leek zijn droom een leraar voor het volk te zijn waar te kunnen maken, maar deze werd aan diggelen geslagen toen men hem ten onrechte beschuldigde van diefstal, en hij definitief uit het lerarenkorps werd geweerd. Hij hield er een levenslange obsessie voor gerechtigheid aan over, gecombineerd met een aan het ongezonde grenzend wantrouwen tegenover het gezag. Een ontgoochelde en wanhopige May begeeft zich op het pad van kleine criminaliteit en bij momenten hallucinante fraudepraktijken, en zal in totaal iets meer dan zeven jaar in gevangenschap doorbrengen. In die periode komt hij in contact met het christendom, en roept hij individuele vrijheid uit tot zijn hoogste goed. Zijn grenzeloze fantasie heeft hij volgens de overlevering ontwikkeld tijdens zijn eerste vijf levensjaren toen hij gedurende lange tijd wegens vitaminetekort zijn gezichtsvermogen verloor.

Voila, een arikel over Karl May zonder Winnetou te vernoemen. Of niet?

dinsdag 12 april 2011

Anna Blaman : 'Eenzaam Avontuur' (1948)


“Zo ging het tussen mensen die op aarde leefden, helemaal, in de gevangenschap van eigen bloedwarm hart.” (p. 164)

Over de plot van 'Eenzaam Avontuur' kunnen we kort zijn : Tijdens een vakantie laat Alide haar grote liefde Kosta weten dat ze een affaire heeft met een zekere Peps, waarvoor ze hem ook zal verlaten. Dit gegeven wordt psychologisch tot op het bot doorgelicht, niet alleen met betrekking tot de hoofdfiguren van deze ménage-à-trois, maar ook aangaande het perspectief van enkele ooggetuigen, namelijk vier jongedames die toevallig op dezelfde plek hun vakantie doorbrengen. Door ze elk een totaal verschillend karakter mee te geven creëert Blaman voor zichzelf de gelegenheid het psycho-analytisch spectrum van haar verhaal gevoelig te verbreden. Eén van hen is een ontluikende lesbiënne, wat indertijd heel wat deining veroorzaakt. Het kwam zelfs tot een schijnproces waarbij Blaman werd aangeklaagd door collega-auteurs. Heel expliciet is het nochtans allemaal niet.
'Eenzaam Avontuur' balanceert op de grens van de ontoegankelijkheid, maar gaat er nergens over. Om te beginnen werkt Blaman niet met alinea's, waardoor de lezer geconfronteerd wordt met grote lappen doorlopende tekst. Verder wordt veelvuldig gewisseld van vertelstandpunt, en monden beschrijvingen vaak zonder (al te duidelijke) overgang uit in naar monologue intérieur neigende hersenspinsels en fantasieën. Daarbij komt nog dat Kosta zelf ook aan een roman werkt, en het onderscheid tussen zijn realiteit en de realiteit van zijn personages hoe langer hoe meer vervaagt. Dit resulteert in een broeierig suggestieve, bij momenten sprookjesachtig aandoende roman die zeker zijn plaats verdient in het rijtje klassiekers van de nederlandstalige literatuur.
Anna Blaman (1905-1960) inspireerde het verhaal op een ervaring uit haar eigen leven. Blaman (Ben Liever Als MAN), pseudoniem van Johanna Petronella Vrugt, lijkt zelf model te staan voor Kosta. Ze schetst een somber beeld van de werkelijke liefde die gedoemd is het af te leggen tegen het ideaalbeeld dat ieder voor zich heeft geconstrueerd.

donderdag 25 november 2010

Maarten ’t Hart : ‘Het Woeden der Gehele Wereld’ (1993)


“Ik vind het leven zo ongelofelijk bizar, het is net een schaakspel met verkeerde stukken en veel te veel velden, het is net of je moet schaken op een dambord.” (p.82)

Maarten ’t Hart (°1944) lijkt de detectiveroman te gebruiken als vehikel om uitdrukking te geven aan en duiding te verstrekken bij zijn eigen verleden. Hij presenteert het levensverhaal van Alexander Goudveyl in zoverre het gerelateerd is aan de stoutmoedige moord op een plaatselijke politieman. Dit uitgangspunt gaat terug op een waargebeurd feit dat in 1956 plaatsvond in Maassluis. De zaak bleef indertijd onopgehelderd.
De ik-figuur van het verhaal kunnen we zonder enige schroom bestempelen als het typische ’t Hart-personage : Een min of meer getroebleerde jongeman die een moeizame relatie onderhoudt zowel met zijn leeftijdsgenoten en ouders als met God en religie in het algemeen. Hij zoekt en vindt uiteindelijk verlossing in de klassieke muziek (met een voorliefde voor Bach) en de wetenschappelijke studie. Het thema van seksueel misbruik blijft ook deze keer niet achterwege. Er wordt zelfs heel even geflirt met travestie.
‘Het Woeden der Gehele Wereld’vormt een interessante mix van fictie, realiteit en zelfreflectie vermomd als een traditionele whodunit. Geschreven in ’t Harts kenmerkende, heldere, intelligente, licht humoristische stijl, is dit boek een absolute aanrader.

zondag 7 november 2010

Arie van der Lugt : ‘Het Lied van de Zee.’ (1948)


“De zee is goed voor ons, want we eten uit haar hand, maar terwijl wij eten, houdt ze’n dreigende klauw boven ons geheven, die onverwachts zal toeslaan, fel en wreed.” (p.144)

In dit eerste deel van de trilogie ‘De Zee Roept.’ schetst Arie van der Lugt (1917-1996) met veel begrip en gevoel een protret van het geïsoleerde leven van een Nederlandse vissersgemeenschap rond het jaar 1900. De lezer wordt als het ware toegesproken door het dorp zelf, en voelt zich haast als vanzelfsprekend nauw verbonden met de gebeurtenissen. Dezen hebben hoofdzakelijk betrekking op stuurman Barend van der Plas die zich voor de keuze geplaatst ziet tussen zijn nieuwe liefde, de steedse Lies Klink, en zijn eeuwige liefde, de zee, die zich opwerpt als het meest prominente personage in deze roman. Van der Lugt stemt zijn stijl perfect af op zijn onderwerp, waardoor alles heel natuurlijk, organisch en levensecht overkomt. Uit het weloverwogen, bedrieglijk simpele taalgebruik spreekt een diepe poëtische zeggingskracht.

woensdag 26 mei 2010

Gerard Reve : “Moeder En Zoon.” (1980)


“ ‘Wie vind jij het geilste, Lambert?’ vroeg ik op de man af, ‘de Vader, de Zoon, de Heilige Geest, of de Moeder? Ik vind de Moeder echt helemaal het einde, eerlijk waar.’ “ (p.252)

In 1966 ontvangt Gerard Reve (1923-2006) het doopsel, en treedt hij officieel toe tot de rooms-katholieke kerk. Dit gaat gepaard met een heleboel scepsis van de publieke opinie, niet in het minst daar hij op dat eigenste moment een proces tegen zich heeft lopen wegens godslastering. Min of meer begrijpelijk als je weet dat hij in ‘Nader tot U’ (1966) beschrijft hoe hij seks heeft met een ezel die de reïncarnatie is van God.

Het doel van ‘Moeder En Zoon’ is tweeledig : Reve wil eerst en vooral voor zichzelf uitmaken waarom hij precies katholiek is geworden, en daarenboven hoopt hij voor eens en altijd komaf te maken met alle vragen die hij tot in den treure krijgt voorgeschoteld aangaande zijn bekering. De auteur keert in gedachten terug naar zijn vroege jeugd, en begint met het speuren naar en tot in de details analyseren van mogelijke kiemen van ontluikend katholicisme. Het gevaar zit erin dat het geheel nogal navelstaarderig wordt, ware het niet dat Reve’s vader tot op zekere hoogte gelijk heeft als hij zijn zoon’s literaire werk, weliswaar oneerbiediger dan nodig, afdoet als ‘schrijfsels van een krankzinnige’ (dixit Reve). Het minste wat je kan zeggen is dat Reve’s gedachtengang vaak redelijk eigenaardig verloopt. Volgens mij is net dat één van de peilers waarop zijn reputatie als een van de grote drie na-oorlogse Nederlandse schrijvers is gestoeld. Gerard Reve leeft in een mythische wereld die hij vaak tevergeefs naar zijn hand wil zetten, en waarin de kleinste gebeurtenissen en gedachtengangen op geloofwaardige wijze haast epische proporties krijgen aangemeten. Zo legt de auteur zonder blikken of blozen een oorzakelijk verband tussen zijn godsroeping en zijn vurigste wens om jongens seksueel te domineren en te laten bestraffen door zijn verheven liefde Matroos Vos. De van alle ironie gespeende ernst waarmee hij de meest groteske hersenkronkels als waarheden poneert in zijn plastische met bijzinnen doorspekte lyriek, zorgen meermaals voor een humoristisch effect.

We laten in het midden of de vraag naar de oorsprong van Reve’s rooms-katholieke bekering met ‘Moeder En Zoon’ afdoende beantwoord is. Dat maakt iedereen voor zich maar uit. Feit is dat we eens te meer een eerlijke, entertainende, vaak bevreemdende en bij momenten hilarische blik hebben kunnen werpen in Gerard Reve’s psyche. In het huidige klimaat kunnen we niet anders dan afsluiten met een citaat dat bewijst dat de kerk heden ten dage niet kan volhouden dat de recente misbruiksbeschuldigingen volledig uit de lucht komen vallen :
“ ‘Als er geen flikkers in die kerk mogen, dan kan die zijn eigen toch net zo goed opheffen?’ vroeg ik mij met onverminderd stemgeluid af. ‘Het is toch een troep jongensknijpende nichten, of niet soms?’ “ (p.278)

zaterdag 15 mei 2010

Arthur van Schendel : ‘Een Eiland in de Zuidzee.’(1932)


“Wat zij deden en wat zij zeiden kon vertrouwd worden slechts een enkele zin te hebben; de uitdrukking die spot zowel als ernst kon menen bleef hun vreemd.” (‘De Zeeromans van Arthur van Schendel’, 1977, p.190)

'Een Eiland in de Zuidzee' wordt aanzien als één van Arthur van Schendels (1864-1946) drie zogenaamde zeeromans. In werkelijkheid is het een amper 80 bladzijden tellende neo-romantische denkoefening over de mogelijkheid van een ideale samenleving, opgehangen aan het welbekende verhaal van de muiterij op de Bounty.

Het pre-koloniale ongerepte Tahiti brengt met zijn heidense natuurgodsdienst kannibalisme als kwalijk neveneffect met zich mee, en de aan de westerse beschaving inherente bezitsdrang en machtswellust maken de zaken alleen maar erger. De afstammelingen van een tiental Tahitiaanse eilandbewoners en de muiters van de Bounty onder leiding van Fletcher Christian, blijken voor een korte periode in staat tot een utopische mini-samenleving op het onontdekte eiland Pitcairn. Noodzakelijke voorwaarde was wel dat de oorspronkelijke kolonisten elkaar eerst bijna volledig uitmoordden, waarna één man, John Adams, het heft in handen nam en de overgebleven jongelingen onderwees en leiding gaf op basis van zijn eigen interpretatie van de Bijbel. Al zijn werk wordt teniet gedaan vanaf het moment waarop ze uit hun isolement worden gehaald, en religieuze en maatschappelijke instituten zich met de zaken komen bemoeien.

Van Schendel toont begrip voor elk standpunt, veroordeelt niemand expliciet, maar moet concluderen dat een blijvende en wijdverspreide samenleving gebaseerd op gelijkheid, vrijheid en respect voor mens en natuur, een utopie zal blijven.