maandag 15 september 2014

King Buzzo: 'This machine kills artists' (2014)

Als een soort rondzwervende troubadour van de underground trekt Buzz Osborne al enige maanden non-stop in zijn uppie van club naar bar naar alternatief festival in Amerika, Australië en Europa. Met zijn nakende passage op Incubate (18.09, Tilburg) en in De Kreun (19.09, Kortrijk) in het verschiet draaien wij alvast het dit jaar verschenen 'This machine kills artists' moeiteloos grijs. Terwijl King Buzzo bij de Melvins steevast kan terugvallen op loodzware basklanken, verschroeiende gitaargolven en fabelachtige drumsalvo's, brengt hij het er immers wonderbaarlijk goed vanaf met (letterlijk) enkel een akoestische gitaar ter beschikking.

Dat de godfather van de grunge bij de Melvins songschrijver van dienst is moge nu definitief duidelijk wezen. Drie kwartier lang worden we bestookt met een organische aaneenschakeling van energieke tempowisselingen en aanstekelijke monsterriffs die mits enkele effectpedalen en een batterij versterkers zo op 'Bullhead' of 'Stoner witch' terecht hadden gekunnen. Buzzo doet idiosyncratisch zijn eigen ding en past zich noch in een meer countryfolkgeoriënteerde richting, noch op de kil afgelikte wijze waarop metalgitaristen doorgaans akoestisch voor de dag komen aan de verwachtingen aan, en weet zo op verrassende wijze zowel de dreiging van sludge als snedigheid van punkrock tenvolle te vangen op een onversterkte soloplaat..

Wel laat Osborne al te lange noisescapes en bij de Melvins geregeld opduikende ambientmomenten grotendeels achterwege waardoor het album uitermate gebald doorkomt. Ook wordt de luisteraar voor een keer niet uitgedaagd met een aantal absurde elementen of een overdaad aan experimenteerdrang waardoor het album doordrongen is van een ernst die we bij zijn band weliswaar geregeld tegenkomen, maar die dan steevast wat getemperd wordt door ondermeer bizarre humor. Hoewel de lyrics aan de cryptisch kant zijn, neigen we er op basis van een aantal niet mis te verstane flarden zelfs naar te geloven dat we met een protestplaat te maken hebben. 'This machine kills artists' werkt zich met een rotvaart naar zijn einde, en barst van de variatie wat daarenboven tot uiting komt in een erg veelzijdig gebruik van de vocalen die het hele spectrum tussen blaffende punkstrofes en verheven gothicrefreinen ruimchoots te buiten gaan.

Dat de Melvins-frontman het zonder Dale Crover kan, wisten we al van de uit '92 stammende 'King Buzzo'-ep. Dat hij echter ook volledig alleen en akoestisch een absoluut meesterwerk kan afleveren, weze dan weer een aangename nieuwigheid.

zaterdag 30 augustus 2014

White Mystery: 'Telepathic' (2013)

Op 'Telepathic' bewijst het uit Chicago afkomstige duo White Mystery dat ze de even energieke als gesofisticeerde dynamiek die ze live tentoonspreiden ook overtuigend weten over te brengen op plaat. Het weze duidelijk dat de gitaarspelende zus Alex en drummende broer Francis White elkaar, al zeker op muzikaal vlak, blindelings vinden, waardoor ze de meest ingenieuze tempowisselingen moeiteloos tot een organisch geheel kunnen smeden.

Terwijl een aantal de grens van het epileptische net niet overschrijdende hyperkinetische uitbarstingen natuurlijk worden afgewisseld met haast tribaal bezwerend voortjakkerende kadansen, horen we op de uit de band springende ballad 'Hey Shirley' zelfs akoestische gitaren . Meeslepende toegankelijkheid wordt bovendien nooit uit het oog verloren zoals onder meer de primitieve stomper met de kinderlijk aandoende lyrics 'Buttheads from Mars' en de aanstekelijke punkrockstrofe van 'Secret garden' ten overvloede bewijzen.

Met een flinke lofi punkinsteek munten beide roodharige krullenbollen uit in erg vuil gespeelde rock-'n-roll (luister het aan een authentiek Bo Didleybeat opgehangen 'Dirty hair er maar eens op na), waarmee we doelen op de (dikwijls) distorted, ongepolijste sound en de, hoewel niet minder opzwepende, vaak tegendraadse riffs, en geenszins op de muziektechnische capaciteiten van het tweetal. Zowel de snedige gitaar en de drums verraden immers een uiterst hoge bedrevenheid.

Alex en Francis zijn beiden verantwoordelijk voor de vocalen, hetzij in afwisseling (bij momenten als vraag/antwoord binnen een nummers zoals bijvoorbeeld op 'Jungle cat'), hetzij als ondersteuning bij elkaar of als volwaardige samenzang. Zo herinnert de treiterend dreigende vocale duoprestatie op 'The prophecy' zelfs aan de non-conformistische sludgepunk van Flipper. Alle twee brengen ze het er met andere woorden met verve vanaf. Terwijl ze elk op zich beschikken over een branievol, bijna brutaal timbre, is het toch de gitariste die zich ontegensprekelijk als frontvrouw opwerpt. Meer nog dan haar broer blinkt ze qua zang daarenboven namelijk uit in soepelheid en diepgang waardoor ze als vanzelfsprekend de lead naar zich toe trekt.

White Mystery combineert de rauwe energie en rebelsheid van punk met de intelligentie en avontuurlijkheid (in tekst en muziek) van de interessantere artrock, en levert met 'Telepathic' een sterk staaltje van hun kunnen af. Het wordt met name dringend tijd om ons hun dit jaar verschenen dubbelalbum 'Dubble dragon' eindelijk eens aan te schaffen.

maandag 12 mei 2014

Warm Soda : 'Young reckless hearts' (2014)

Matthew Melton komt ons steeds meer voor als een aanjager en perfectionist die de lat voor zijn groepsleden zo hoog legt dat een langdurige samenwerking allerminst vanzelfsprekend wordt. Niet alleen bracht de getalenteerde zanger-gitarist sinds 2009 reeds 6 full albums op de markt, maar ook moest hij na het plotse uiteenvallen van zijn vorige band Bare Wires middenin het gerenommeerde showcasefestial SXSW van 2012 op twee jaar tijd evenveel keer op zoek naar een nieuwe begeleiding. Terwijl hij onder de naam Warm Soda oorspronkelijk keihard terug sloeg met het uitmuntende 'Someone for you' zag hij zich na het pas verschenen 'Young reckless hearts' eens te meer verplicht een promotour te cancellen wegens vertrokken of buitengebonjourde medemuzikanten.


Nochtans lijkt het erop dat de Californische frontman na het aanstekelijk rammelrockpoppende debuut zelf voor vernieuwing koos en een trio degelijke, technisch erg onderlegde en bovenal ultrastrakke companen inhuurde om wat meer rechttoe rechtaan te kunnen rocken en zelfs mogelijkheden te creëren om uit het genre te breken. Terwijl dit op de recente langspeler een absoluut hoogtepunt oplevert met de organisch groovende afsluiter 'Stranger to me' dat fel aan The Wipers en embryonale Screaming Trees herinnert, moeten we bekennen dat het verder allemaal een beetje minder sprankelt dan voorheen. Dat Melton evenwel nog altijd beschikt over een sterk gevoel voor melodie gecombineerd met aanzienlijke songwriterscapaciteiten bewijzen fris aanstekelijke nummers als 'Going in circles', 'Forbidden emotion' en 'When your eyes meet mine'. Feit is wel dat die laatste haast letterlijk een kopie is van 'Only in your mind' vanop het vorige album.

Ook hetzelfde gebleven zijn verder de ongepolijste garagerocksound en Meltons vertrouwd ingehouden manier van zingen. Een verschil merken we dan weer in de backings die voor een keer loepzuiver en constant toonvast voor de dag komen. Dit alles maakt van 'Young reckless hearts' uiteindelijk een meer dan behoorlijke plaat die voor liefhebbers van popgevoelige retrorock zeker het uitchecken waard is. Toch kan ze ons inziens niet tippen aan het frivolere 'Someone for you'.

donderdag 27 maart 2014

Wim Versteden: 'Gesluierde macht' (1988)

Als overtuigde aanhangers van de DIY-attitude diepten we doorheen de jaren al menig pareltje op uit de enorme poel zelf gereleasete cd's. Nu waagden we ons met 'Gesluierde macht' voor het eerst aan een in eigen beheer uitgegeven boek, en we moeten eerlijk bekennen dat dat ferm tegenviel.

Het enige dat we inhoudelijk met volstrekte zekerheid kunnen melden is dat we te maken hebben met een idealistische aanklacht tegen corruptie in (door geestelijken bestuurde) bejaardentehuizen. In een even structuurloze als rommelige ik-vertelling maken we kennis met Toon Vreemdeling die op volledig ongeloofwaardige wijze op 21-jarige leeftijd wordt aangesteld als directeur van zo'n, door een kloosterorde bestierde instelling. Vol goede moed tracht hij paal en perk te stellen aan de courante frauduleuze praktijken en heeft hij vooral oog voor het welzijn van de rusthuisbewoners. Dit wordt hem niet door iedereen in dank afgenomen en uiteindelijk bekoopt hij het nogal drastisch met zijn leven.

Versteden geeft blijk van een manifest gebrek aan narratief vermogen, waardoor hij er zelfs niet in slaagt het neerpennen van een clichématige strijd tussen de frisse jongeling en het vastgeroeste systeem tot een min of meer bevredigend resultaat te brengen. Het relaas is doorspekt van steriele, onnatuurlijke en ronduit warrige dialogen wat hoegenaamd niet geholpen wordt door de veelvuldige toevoeging van stopwoorden als “allee” en “ik bedoel maar”. Zelfs het neerzetten van een stoet bordkartonnen karakters lijkt te hoog gegrepen. Of de schrijver nu psychologisch inzicht ontbreekt, dan wel het gewoonweg niet verwoord krijgt maakt uiteindelijk onze zaak als lezer niet.

Over stijl is al helemaal geen sprake vermits de vermoedelijke afwezigheid van eindredactie zich op elk mogelijk vlak laat gevoelen. Naast de occasionele tikfouten, zondigt de auteur niet alleen tegen zowel spelling als grammatica, maar vergist hij zich ook nog eens geregeld bij zijn naamgeving. Zo wordt bijvoorbeeld zuster Purisima binnen enkele regels op dezelfde bladzijde plots Purusima en vice versa. Daarnaast vertonen tevens de gebruikte tijd en het gezichtspunt inconsistenties. We beten er onze tanden helemaal op stuk, en kregen zelfs sterk de indruk dat ook de auteur er op een bepaald moment genoeg van had. Hij sluit zijn verhaal namelijk nogal abrupt af met een schematische opsomming van relevante feiten, een beetje in de stijl van een telvisiedocumentaire die vlak voor de aftiteling nog wat highlights uit het verdere leven van de protagonisten meegeeft. Hoewel we dit verhaaltechnisch absoluut not done vinden, waren we eveneens opgelucht dat we het boek eindelijk definitief dicht konden slaan.

We begrijpen met andere woorden maar al te goed waarom destijds geen enkele uitgeverij bereid was dit manuscript een volwaardige kans te geven. Tegelijkertijd hopen we uit de grond van ons hart dat dit werkstuk niet representatief is voor het merendeel van de niet officieel gepubliceerde literatuur.

vrijdag 14 maart 2014

Christophe Vekeman : 'Een borrel met Barry' (2005)

Sinds de generatie Lanoye-Brusselmans komt Christophe Vekeman (°1972) in Vlaanderen misschien nog wel het dichtst in de buurt van een literair enfant terrible. Terwijl hij het, in tegenstelling tot laatstgenoemde, doorgaans weliswaar beschaafd houdt, zit hij zelden verlegen om een uitgesproken mening, en spreekt uit zijn werk karakteristiek de milde rebellie van de outsider.

Zo ook in zijn tragikomische derde roman (vierde als je er de verhalenbundel 'Wees maar niet bang' bij rekent) 'Een borrel met Barry' die aanvangt met een geslaagd humoristische captatio benevolentiae, waarbij op laten we zeggen de wijze van Reve bij momenten hilarische kritiek wordt gespuid op een hyperbolische jan-met-de-pet en zijn dagdagelijkse beslommeringen, en die je voor je het goed en wel beseft meesleept in een beklemmend relaas dat de als universeel gepresenteerde inherente tragiek van menselijke relaties pijnlijk bloot legt. Van meet af aan houd je er evenwel best je aandacht bij, vermits de auteur zich nog steeds een aanhanger toont van W.F. Hermans' romantechnische principe van doelgerichtheid waar eerder al de titel van debuut 'Alle mussen zullen sterven' (1999) naar verwees. Zelfs de kleinste voorvallen spelen met andere woorden later nog een rol van betekenis in het verhaal.

Als de beklagenswaardige antiheld Sebastiaan Krops zich gedwongen ziet de genaamde Barry, de nieuwe vriend van zijn schoonzus, een borrel aan te bieden, trekt zich een noodlottige aaneenschakeling van gebeurtenissen op gang die het de als psycholoog opgeleide Vekeman mogelijk maken zijn gedegen kennis van de menselijke geest te etaleren waarbij hij niet zelden op drijfveren stuit waar je allerminst vrolijk van wordt. Doordat de focaliser avondles creatief schrijven geeft krijgen we daarenboven een glimps te zien van de auteurs visie op zijn schrijverschap. Hij wijst ondermeer op het cruciale belang van een openingszin, en geeft impliciet aan dat hij door de keuze voor een roman in de derde persoon bewust afstand neemt van zijn personage. Toch komt het ons voor dat Christophe Vekeman een niet onaanzienlijk stuk van zijn persoonlijkheid op tafel legt.

Ondanks de sombere thematiek blijft 'Een borrel met Barry' redelijk licht van toon door de consequent aanwezige humoristische noot en niet in het minst door Vekemans frivool soepele taalgebruik dat de vaart er flink in houdt. Naar onze mening vond hij met name de perfecte lijn waarop entertainment en diepgang met in elkaar verstrengelde vingers hand in hand gaan.

dinsdag 11 maart 2014

John Murry live in Huis 23 op 10.03.14


Een echte hoogvlieger kan je de passage van John Murry in de AB's Huis 23 bezwaarlijk noemen. Daarvoor is de man technisch te beperkt als zanger en als gitarist. Ook zijn eerder summiere oeuvre is op een handvol echt sterke nummers na wat te doorsnee. Met zijn je m'en foutistische présence maakt hij echter veel goed. Het zegt genoeg dat de uitgebreide, haast aan stand up comedy grenzende verhalen tussen de songs door misschien wel meer weten te boeien dan de eigenlijke muzikale prestatie.

In een gemoedelijke sfeer werkt Murry zich gezapig doorheen zijn set die flink wat covers bevat van onder andere Chuck Prophet, Sparklehorse, Bruce Springsteen en Neil Young. De momenten dat deze versies een meerwaarde bieden ten opzichte van het origineel zijn evenwel schaars. Op een nieuw nummer na put de Amerikaan verder vooral uit zijn voorlopig enige soloalbum 'The Graceless Age'. Terwijl we 'California', 'The ballad of the pyjama kid' en 'Southern sky' onmiskenbaar tot de hoogtepunten rekenen, grijpt bisnummer 'Little coloured balloons' uiteindelijk nog het meest naar de keel. Door de losse en rommelige aanpak beleefden we sowieso een best wel charmante avond, al bleven we muzikaal wat op onze honger zitten.

zondag 23 februari 2014

Valeer Van Kerkhove: 'De gijzelaars' (1977)

Na begin jaren 50 veelbelovend te zijn gedebuteerd met een drietal romans richtte Valeer Van Kerkhove (1919-1982) zich ruim twee decennia lang zowat exclusief op bewerkingen voor toneel, radio en televisie. Eind jaren 70 wist hij alsnog te verrassen met 'De gijzelaars' dat uiteindelijk zijn zwanenzang zou worden. Terwijl dit werk door het specifieke dagboek-opzet vormelijk misschien wat vereenvoudigd overkomt, blijft de christelijke thematische inslag na al die tijd wel nog overeind, deze keer met rechtvaardigheid, schuldbesef en loutering als belangrijkste peilers.

De auteur creëert een beginsituatie die wat doet denken aan een variant op het welbekende gevangenendilemma uit de speltheorie: Tijdens WOII is een bewaker van een bankkluis ongewild getuige van een verzetsmoord op een Duitse officier. Uit door de omstandigheden terechte angst zelf beschuldigd te worden, kiest de jongeman instinctief het hazenpad. De bezetters nemen echter gijzelaars en stellen een ultimatum waarbinnen de dader zich met een tastbaar gevaar voor de doodstraf dient aan te geven of de niet helemaal willekeurig uitgekozen burgers worden geëxecuteerd. De veronderstelde beschuldigde maakt de keuze gedurende de rest van de oorlog onder te duiken, een beslissing die ingrijpende gevolgen heeft voor zijn verdere leven.

Om met zijn geweten in het reine te komen stort hij zich compulsief op het neerpennen van alle voorvallen, gedachten, gevoelens en wereldbeschouwelijke overpeinzingen die met de noodlottige feiten in verband staan; en dit houdt hij al 22 jaar vol zonder ook maar een stap dichter bij de verlossing te komen, tot op een bepaald moment de toevallige, maar altijd als onafwendbaar beschouwde ontmoeting met de echte moordenaar J.K. plaats vindt. 'De gijzelaars' bestaat uit de aantekeningen die het ik-personage in de hieropvolgende maand maakt. We leren een uitermate getroebleerd man kennen wiens leven en persoonlijkheid volledig en verpletterend beheerst worden door dat ene, nauwelijks een handvol seconden in beslag nemende voorval dat dan nog volledig buiten zijn wil om gebeurde. Terwijl J.K., die zich probleemloos een succesvolle positie in de maatschappij wist te veroveren, er zich eenvoudigweg vanaf heeft gemaakt met de gedachte dat hij orders van hogerhand opvolgde, wordt de ik-figuur ten gronde verteerd door schuldgevoelens en allerhande twijfels, inclusief die aan zijn eigen bestaansrecht. Naast een ethische geeft dit de roman tevens een sterke psychologische en filosofische inslag mee.

De schok die het weerzien met J.K. veroorzaakt sijpelt onherroepelijk door in de stijl van de ik-vertelling. Deze vormt een weerspiegeling van de geestestoestand van het hoofdpersonage, waardoor de feitelijke gebeurtenissen zich slechts langzaam en verward onthullen, en het dagboek bij momenten zelfs evolueert richting (soms halfdronken) monologue intérieur. Door deze aanpak wekt Valeer Van Kerkhove de behandelde problematiek op overtuigende wijze tot leven, en levert hij een aangrijpend relaas af dat je onvermijdelijk zelf aan het denken zet. Uiteindelijk weet de schrijver schijnbaar vanuit het niets nog op de proppen te komen met een min of meer happy end.